Geen analoge toepassing artikel 1:87 BW bij samenlevers

Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707

Feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Gedurende deze relatie hebben zij samengewoond in de woning die in eigendom aan de man toebehoort. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten. Wel is uit hun relatie een zoon geboren. In 2011 wordt de woning van de man verbouwd. De kosten die hiermee gemoeid gaan, worden betaald door de vrouw, althans door haar moeder uit hoofde van een geldlening dan wel schenking aan de vrouw. Nadat de relatie na een aantal jaren op de klippen is gelopen, vordert de vrouw betaling door de man van de door haar gemaakte kosten van de verbouwing van de woning. Aan deze vordering legt zij ten grondslag dat zij deze kosten uit haar privévermogen heeft gefinancierd en daarmee recht heeft op vergoeding van het door haar gefinancierde nominale bedrag. Zij doet hierbij een beroep op analoge toepassing van art. 1:87 BW dat een vergoedingsrecht voorschrijft voor gehuwden. De man is het oneens met de vordering van de vrouw en de grondslag ervan. Partijen waren immers niet gehuwd maar enkel samenwonend. Daarnaast voert hij aan dat een vergoedingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn nu het juist de vrouw was die een verbouwing van de woning wenste ter aanpassing aan haar woonwensen. De man vond dit blijkbaar minder noodzakelijk en beschikte evenmin over de financiële middelen hiervoor. Hij heeft hier dan naar eigen zeggen ook enkel mee ingestemd omdat de vrouw, althans haar moeder, de verbouwing zou betalen. Bovendien zou de verbouwing volgens de man niet hebben geleid tot een waardevermeerdering van de woning. In eerste aanleg wordt de vordering van de vrouw door de rechtbank (grotendeels) toegewezen. De man besluit hierop in hoger beroep te gaan en het hof wijst de vordering van de vrouw alsnog af. De vrouw stelt cassatie in tegen de beslissing van het hof. De vraag die in cassatie beantwoord dient te worden is of en zo ja welke juridische grondslag aan de vordering van de vrouw ten grondslag ligt.

Titel 7 boek 3

Allereerst beslist de Hoge Raad, in overeenstemming met het hof dat er geen sprake is van vergoedingsrecht voortvloeiend uit de gemeenschap in de zin van titel 7 van Boek 3. Op grond van art. 3:166 lid 1 BW is een gemeenschap in goederenrechtelijke zin slechts aanwezig wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten. In deze zaak staat vast dat de woning alleen aan de man in eigendom toebehoort zodat van een gemeenschap geen sprake kan zijn. De door de vrouw aangevoerde omstandigheid dat zij in de woning heeft geïnvesteerd, doet dit niet anders zijn. Een en ander zou anders zijn indien de woning wel in gezamenlijk eigendom aan partijen zou toebehoren. In een dergelijk geval kan de rechtsgrond van de vordering tot vergoeding gevonden worden in titel 7 van Boek 3. Voor de goede orde merk ik hierbij nog op dat het mijns inziens wel mogelijk is te stellen dat er in een situatie als de onderhavige op grond van stilzwijgende afspraken c.q. feitelijke gedragingen een verrekengemeenschap in verbintenisrechtelijke zin tussen partijen ontstaat. De redelijkheid en billijkheid zouden in dat geval kunnen resulteren in een afrekening die afwijkt van de goederenrechtelijke verhouding. Uit eerdere uitspraken van de Hoge Raad van 9 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ1707) en van het Hof Arnhem van 20 augustus 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:6210) blijkt dat het enkel stellen dat binnen een informele relatie per definitie een (verbintenisrechtelijke) gemeenschap bestaat, onvoldoende is. Op de verbintenisrechtelijke verhouding tussen partijen zal hierna nog nader ingegaan worden.

Analoge toepassing art. 1:87 BW

In het arrest Kriek/Smit van de Hoge Raad van 12 juni 1987 (ECLI:NL:HR:1987:AC2558, NJ 1988, 150) is overwogen dat tussen echtgenoten die onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd, een vergoedingsrecht kan ontstaan doordat goederen die gedurende het huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of ten dele met geld van de andere echtgenoot zijn gefinancierd. Dit vergoedingsrecht voor gehuwden is inmiddels wettelijk verankerd in art. 1:87 BW. De vraag die echter sinds jaar en dag opgeworpen wordt en veelvuldig onderwerp van bespreking blijft, is of een dergelijk vergoedingsrecht ook dient te worden aangenomen voor andere relatievormen. Het hof en de Hoge Raad zijn hier in deze zaak heel duidelijk over en beslissen dat dit niet het geval is. De vermogensrechtelijke verhouding tussen partners die op basis van een affectieve relatie samenwonen, ook wel informeel samenlevenden genoemd, wordt niet bepaald door de regels die in de titels 6-8 van boek 1 voor echtgenoten en geregistreerd partners zijn opgenomen. Evenmin lenen die regels zich voor overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen informeel samenlevenden. Niet iedereen zal deze beslissing even wenselijk vinden. Zo valt er natuurlijk voor te pleiten dat er vandaag de dag veel meer mensen zijn die niet meer kiezen voor een formele relatievorm maar die in de praktijk wel een overeenkomstige verhouding tot elkaar voor ogen hebben en zich daar ook naar gedragen. In die gevallen zou een analogische toepassing van art. 1:87 BW wellicht wel wenselijk zijn. Ik zie echter direct al een aantal bezwaren hiertegen, waarvan ik de twee voornaamste hier zal toelichten. Allereerst lijkt mij de scheidslijn erg dun tussen samenwonenden waarbij analoge toepassing voor wat betreft vergoedingsrechten wel wenselijk is en samenwonenden waarbij dit niet het geval is. Dit probleem zou uiteraard (gedeeltelijk) op te lossen zijn met een criterialijst waaraan voldoen moet worden om als samenwonenden in aanmerking te komen voor analoge toepassing van art. 1:87 BW zoals ook A-G Langemeijer in zijn conclusie noemt. Volgens hem zou in ieder geval sprake moeten zijn van een ‘levensgezel’. Bij de beoordeling hiervan zou meegenomen dienen te worden of er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, de duur ervan, of de relatie van affectieve aard is en of de betrokkenen zelf uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. Anders gezegd zou hiervoor mijns inziens ook aansluiting gezocht kunnen worden bij de in de jurisprudentie uitgewerkte criteria ter beoordeling van het ‘samenwonen als ware gehuwd’ in de zin van art. 1:160 BW. Op grond hiervan zou vastgesteld kunnen worden dat gevallen van ‘generatiewonen’ of mensen die gezamenlijk in een woongemeenschap wonen van analoge toepassing dienen te worden uitgesloten. Maar hoe ga je om met meer modernere samenlevingsvormen zoals een homoseksuele man met een LAT-relatie en een alleenstaande vrouw die ervoor kiezen om samen een kind groot te brengen en als gezin onder één dak te wonen? Een tweede bezwaar dat ik hier noem is dat het naar mijn mening ook sterk de vraag is hoe ver je kunt gaan met het huwelijksvermogensrecht van overeenkomstige toepassing te verklaren op de rechtsverhouding tussen informeel samenlevenden. Mensen kiezen er immers in veel gevallen bewust voor om zich in juridische zin zo min mogelijk te binden. In sommige vallen als ‘proefperiode’, voorafgaand aan een formele relatievorm maar in andere gevallen zelfs omdat een eerdere formele relatie is misgelopen en ze de gevolgen hiervan bij een eventuele verbreking van hun huidige samenwoning willen uitsluiten. Bovendien is het de vraag of in dat geval niet de deur wordt opengezet voor analoge toepassingen van overige huwelijksvermogensrechtelijke bepalingen, zoals bijvoorbeeld de bepaling met betrekking tot partneralimentatie. A-G Langemijer merkt naar mijn mening in zijn conclusie dan ook terecht op dat het naar analogie toekennen van een integraal vergoedingsrecht in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid nu het gaat om het aannemen van een wettelijke verplichting die niet uit de wet te kennen is.

Algemeen verbintenissenrecht

Gelet op het voorgaande, concludeert zowel het hof als de Hoge Raad dat aan de hand van het algemeen verbintenissenrecht beoordeeld moet worden of de vrouw een vergoedingsrecht jegens de man geldend kan maken. In dit kader dient allereerst beoordeeld te worden of er sprake is van een overeenkomst die de vermogensrechtelijke aspecten van de samenleving regelt (6:213 jo. 6:248 lid 1 BW). Hierbij kan het gaan om een schriftelijke samenlevingsovereenkomst maar ook om uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken die partijen hebben gemaakt. Daarnaast is het nog mogelijk de vordering te baseren op de onverschuldigde betaling van art. 6:203 BW of de ongerechtvaardigde verrijking van art. 6:212 BW. Tot slot overweegt de Hoge Raad dat ook als deze rechtsfiguren geen mogelijkheid bieden om een vergoedingsrecht aan te nemen, nog geldt dat een vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval kan voortvloeien uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid zoals genoemd in art. 6:2 lid 1 BW. Deze bijzondere feiten en omstandigheden moeten wel gesteld en bewezen worden. In de onderhavige zaak heeft de vrouw dit nagelaten.

Conclusie

In tijden waarin het aantal informeel samenwonenden toeneemt, doet men er goed aan de onderlinge rechtsverhoudingen expliciet vast te leggen indien men daar later aanspraak op wenst te maken. Dit klemt te meer in situaties waarbij de financiële verwevenheid toeneemt. Je kunt immers beter zelf dingen goed regelen dan dat je achteraf voor verrassingen komt te staan. In gevallen als de onderhavige blijkt het huwelijksvermogensrecht in ieder geval geen uitkomst te bieden waarmee de kans dus aanwezig is dat je achteraf met lege handen komt te staan.

bron: Jurisprudentie in Nederland 15-07- 2019, afl. 6

Amé
Mr A.M.E. Derks is als advocaat en mediator gespecialiseerd in het personen- en familierecht. Zij heeft een ruime advies en proces-ervaring op dit gebied en is u graag van dienst.